Home
Landelijk
Algemeen
Historie
Fotoalbums
Contact + ANBI
Links
Voor leden





Ridderschap van Gelderland


HISTORIE


Bij de grondwet van 1848 die de democratische grondslag voor Nederland bracht, werden de standen als representatieve organen in de staatsorganisatie opgeheven. Voortaan zouden de volksvertegenwoordigers op het niveau van de nationale staat en de provincies rechtstreeks worden gekozen. Bij wet op de Provinciale Staten van 6 juli 1850 werden de Ridderschappen als kiescolleges in de provincies overbodig. De adel had haar laatste politiek voorrecht verloren. Blijvend effect van de begin-negentiende-eeuwse Restauratie, toen ook het ambtsuniform werd ingevoerd, waren echter de strenge criteria waaraan de adel moest voldoen. Zij was en bleef een gesloten klasse,officieel erkend door en gebonden aan de koning persoonlijk. Alle gegevens van burgerlijke staat dienen zij te overleggen aan de Hoge Raad van Adel. Sinds er geen adelsverheffingen meer voorkomen (1953), is de Nederlandse adel volkomen geŽnt op de negentiende-eeuwse opvatting van adeldom waarbij afkomst en in concreto een erfelijk predikaat wezenlijke element vormde. De Hoge Raad van Adel bleef als juridisch adviescollege voortbestaan.
Sedert de Ridderschappen als staatsrechtelijke instelling hadden afgedaan, kent de adelstand tegenwoordig (ca. 10.000 personen) een aantal verbanden. De Nederlandse Adelsvereniging, opgericht 18 april 1899, kanaliseert landelijk de behartiging van algemene maatschappelijke belangen (1994: 846 leden). Zij geeft een jaarverslag uit waarin zij van haar voornamelijk charitatief werk verantwoording aflegt. Op 11 oktober 1991 voegde zich hierbij een algemene jongerenvereniging (tot 35 jaar): de Vereniging voor Jongeren van Adel in Nederland (VJAN), gelieerd aan voorgenoemde, wil vooral de persoonlijke contacten onder generatiegenoten bevorderen (1994: 120 leden). Zij brengt een eigen blaadje uit: De Fadeltjeskrant. Naast de niet-geografisch maar wel religieus gebonden ridderlijke orden die inmiddels ook een oecumenisch jeugdverband (MalJoh’s) kennen, bestaan er in Utrecht, Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant afzonderlijke adellijke genootschappen onder de naam ‘Ridderschap’. De Ridderschap in Noord-Brabant groepeerde zich in 1904, Utrecht besloot meteen tot heroprichting na een opheffing in 1880; de andere kwamen direct of indirect voort uit de begin-negentiende-eeuwse kiescolleges. In de andere provincies hadden die oude Ridderschappen zichzelf indertijd opgeheven.

Men kan zeggen dat er zich in het leven van de Ridderschap van Gelderland een aantal fasen lijkt voor te doen die significant blijken voor haar geschiedenis. Het ‘verenigingsleven’ raakte rond bepaalde jaren bij wijze van spreken in een stroomversnelling na jaren van rustig voortkabbelen. We hangen die episoden provisorisch op aan bestuursperioden.

 

*       1850-1880

De ontmachte, nieuwe Ridderschap zette onder leiding van de aanblijvende voorzitter W. baron Schimmelpenninck van der Oije zoveel mogelijk de oude vertrouwde gang van zaken voort. Zij gaf weinig blijk van initiatieven. Het ledenaantal liep door natuurlijk verloop en geringe toetreding gestaag terug. Rond 1880 verkeerde de Ridderschap met hooguit 55 leden dan ook op een historisch dieptepunt. Geluiden van dien aard verneemt men overigens niet. GeÔnstitutionaliseerde liefdadigheid en verenigingsverband waren weinig geprofileerd. Men nam ook genoegen met een ruimte van samenkomst buiten de traditionele Arnhemse overheidsgebouwen. Terwijl de aan zichzelf overgelaten Ridderschap in 1879 nog had geweigerd een gelukwens te versturen naar de koning ter gelegenheid van zijn huwelijk, sloeg weldra de houding ten aanzien van het koningshuis in Gelderland om.

 

*       1880-1915

Rond 1915, toen het voltallig bestuur onder leiding van baron Schimmelpenninck van der Oye van de Poll en Nijenbeek terugtrad, stierf de generatie uit die nog de oude politieke Ridderschap had meegemaakt. Gedurende de voorafgaande vier decennia had zij zich bijna ongemerkt hersteld en duidelijk aan vitaliteit gewonnen. Steeds meer leden traden toe, ook zogenaamde buitenstaanders, d.w.z. edelen die niet konden terugvallen op Gelderse ‘stamgenoten’ en een entreegeld van fl. 1000 moesten betalen (1889). Sinds 1891 versterkte een onder-voorzitter het bestuur. De vergaderfrequentie was inmiddels verhoogd tot tweemaal per jaar. Voorstellen in die richting dateerden reeds van 1886 en 1889. Vergaderingen vonden sinds 1889 plaats op een donderdag in plaats van een vaste datum maar wisselvallige dag in de week. De edelen hadden weinig behoefte zich met distinctieven te onderscheiden.

Naar aanleiding van het overlijden van koning Willem III in 1891 stuurden de vergaderde ‘ridders’ hun eerste ‘telegram van hulde’ aan de regentes en de jonge koningin. De tot op de dag van vandaag bestaande gewoonte om tijdens de vergadering een telegram naar het Koninklijk Huis te sturen gaat feitelijk terug tot op 1903. Hoewel er een vergadertaboe rustte op zondag, kreeg de toen om zich heen grijpende verzuiling geen vat op de overwegend liberale en religieus neutrale Ridderschap.

 

*    1915-1931

Zo’n vijftien jaar achtereen droegen voorzitter baron Van Nagell en baron Van Voorst tot Voorst gezamenlijk de Ridderschap. Wanneer nieuwe leden toetraden, gaf de voorzitter uiting aan het doel van de vereniging. In 1901 vatten de woorden liefdadigheid en vriendschapsband kernachtig het doel voor bet begin van de twintigste eeuw samen: (...)de Ridderschap van Gelderland bejjvert zich haar doel te bereiken door liefdadigheid te bewijzen en den vriendschapsband te versterken van de Edellieden onderling (...). In 1911 viel het woord ‘broederschap’: de Ridderschap (...) door hen die daartoe behoorden is voortgezet als het ware als eene broederschap, met elkaar omgang te hebben en vriendschappelijk bijeen te komen en voorts de geldelijke belangen van verarmde stamgenooten te behartigen. Sociale contacten kwamen voorop te staan. Meer aandacht voor privť-leven spreekt ook uit het toesturen van geboorte- en huwelijkskaarten. Leden werden met bloemen gefÍteerd als een ridderlijk echtpaar een bijzonder huwelijksfeest mocht beleven.

Met vrijwillige bijdragen door de leden sedert 1920 jaarlijks bijeengebracht kon de liefdadigheid meer gestalte krijgen. Een gestage instroom van nieuwe leden uit heel het land bracht de Ridderschap een ongekende omvang. Overigens blijft veel uit deze periode in het duister. Waarom vond in 1923 een naamswijziging in ‘Ridderschap van Gelderland’ plaats? Wilde de Ridderschap door het woord provincie te laten vallen tot uitdrukking brengen dat ook niet-Gelderlanders welkom waren?

In 1931 zien we weer het voltallige bestuur wisselen: baron Van Nagell van de Schaffelaar gaf na vijftien jaar voorzitterschap de hamer over aan baron Van Lynden. In de vooroorlogse jaren bespeurt men bij de nieuwe generatie ridders een hang naar herstel van tradities. De jongeren wensten een insigne, zoals de Ridderschap in Utrecht, om in het openbaar herkenbaar te zijn (1933). Een paar lieten het traditionele Gelderse adelscostuum vervaardigen. De ‘adelskwestie’ werd aan de orde gesteld. De ‘jeugd’ lijkt een meer conservatieve geesteshouding uit te dragen. Terwijl enkelen gedurende de oorlogsjaren in verkeerd vaarwater raakten, vielen anderen in de strijd voor het vaderland. In 1946 kon de Ridderschap weer in alle vrijheid bijeenkomen, maar moest eerst het pijnlijke vergaderpunt aansnijden dat sommige leden zich niet conform een edelman waardig hadden gedragen. Er werd tot royering besloten, althans zij bedankten zelf. Die jaren kenmerkten zich door een groot gevoel voor saamhorigheid, zoals de voorzitter ook tot uitdrukking bracht.

Vanaf 1934 bevorderde daadwerkelijk het feit dat er jaarlijks op een zaterdag ofwel de dag tegen het weekeinde werd vergaderd, de persoonlijke contacten. De ledenaanwas zette zich voort en een hoogtepunt werd bereikt in 1939. Na de oorlog heerste er meer een sfeer van eenheid en gelijkheid waardoor edelen minder behoefte voelden zich te onderscheiden. In reactie op de naoorlogse terugloop van het ledenaantal tot rond 125 deed omstreeks 1958/59 het bestuur aan actieve ledenwerving onder die families die vůůr 1850 al lid waren geweest. De trend kon niet echt worden gekeerd, maar een zekere stabilisering werd wel bereikt.

 

*       1965-heden

De maatschappelijke veranderingen tijdens de jaren-1960 gingen ook aan de Ridderschap niet voorbij. Het aantreden van een nieuw bestuur onder voorzitterschap van C. J. baron Schimmelpenninck van der Oije in 1966 mag als keerpunt wordt beschouwd. De financiŽle administratie werd reeds in 1965 op nieuwe leest geschoeid. Vanaf 1967 vinden de jaarvergaderingen plaats op wisselende locaties, bij voorkeur in landelijke omgeving rond Arnhem. De Gelderse ridders vergaderden vaak op de Veluwe en in de Graafschap, minder in het Kwartier van Nijmegen. Een doelbewust systeem in de keuze van vergaderplaats is niet te ontdekken. Sedert 1973 komt men in de regel op de derde zaterdag van september bijeen. De statutenwijziging van 1971 boog de doelstelling naast de charitatieve taak definitief om in cultuurhistorische richting. Een eigen bibliotheek en een collectie antiek werd opgebouwd. In de loop van de jaren tachtig profileerde zich de Ridderschap van Gelderland steeds meer als subsidiŽnt voor monumentenzorg, natuurbeheer, onderzoek en publicaties evenals voor restauratie en aankoop van antiek; dit alles in het bijzonder met betrekking tot de Gelderse geschiedenis. In deze nieuw ingeslagen richting kunnen zich gezien de jongste groei van de Ridderschap, die zich sedert omstreeks 1970 aftekent, klaarblijkelijk vele edelen vinden.


Klik hier voor volledige tekst "Het archief van de Ridderschap van Gelderland (Inventaris)" samengesteld door drs. V. Paquay in 1996.
 



Ridderschap van Gelderland

Home | Landelijk | Algemeen | Historie | Fotoalbums | Contact | Links | Voor leden

HISTORIE


Bij de grondwet van 1848 die de democratische grondslag voor Nederland bracht, werden de standen als representatieve organen in de staatsorganisatie opgeheven. Voortaan zouden de volksvertegenwoordigers op het niveau van de nationale staat en de provincies rechtstreeks worden gekozen. Bij wet op de Provinciale Staten van 6 juli 1850 werden de Ridderschappen als kiescolleges in de provincies overbodig. De adel had haar laatste politiek voorrecht verloren. Blijvend effect van de begin-negentiende-eeuwse Restauratie, toen ook het ambtsuniform werd ingevoerd, waren echter de strenge criteria waaraan de adel moest voldoen. Zij was en bleef een gesloten klasse,officieel erkend door en gebonden aan de koning persoonlijk. Alle gegevens van burgerlijke staat dienen zij te overleggen aan de Hoge Raad van Adel. Sinds er geen adelsverheffingen meer voorkomen (1953), is de Nederlandse adel volkomen geŽnt op de negentiende-eeuwse opvatting van adeldom waarbij afkomst en in concreto een erfelijk predikaat wezenlijke element vormde. De Hoge Raad van Adel bleef als juridisch adviescollege voortbestaan.
Sedert de Ridderschappen als staatsrechtelijke instelling hadden afgedaan, kent de adelstand tegenwoordig (ca. 10.000 personen) een aantal verbanden. De Nederlandse Adelsvereniging, opgericht 18 april 1899, kanaliseert landelijk de behartiging van algemene maatschappelijke belangen (1994: 846 leden). Zij geeft een jaarverslag uit waarin zij van haar voornamelijk charitatief werk verantwoording aflegt. Op 11 oktober 1991 voegde zich hierbij een algemene jongerenvereniging (tot 35 jaar): de Vereniging voor Jongeren van Adel in Nederland (VJAN), gelieerd aan voorgenoemde, wil vooral de persoonlijke contacten onder generatiegenoten bevorderen (1994: 120 leden). Zij brengt een eigen blaadje uit: De Fadeltjeskrant. Naast de niet-geografisch maar wel religieus gebonden ridderlijke orden die inmiddels ook een oecumenisch jeugdverband (MalJoh’s) kennen, bestaan er in Utrecht, Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant afzonderlijke adellijke genootschappen onder de naam ‘Ridderschap’. De Ridderschap in Noord-Brabant groepeerde zich in 1904, Utrecht besloot meteen tot heroprichting na een opheffing in 1880; de andere kwamen direct of indirect voort uit de begin-negentiende-eeuwse kiescolleges. In de andere provincies hadden die oude Ridderschappen zichzelf indertijd opgeheven.

Men kan zeggen dat er zich in het leven van de Ridderschap van Gelderland een aantal fasen lijkt voor te doen die significant blijken voor haar geschiedenis. Het ‘verenigingsleven’ raakte rond bepaalde jaren bij wijze van spreken in een stroomversnelling na jaren van rustig voortkabbelen. We hangen die episoden provisorisch op aan bestuursperioden.

 

*       1850-1880

De ontmachte, nieuwe Ridderschap zette onder leiding van de aanblijvende voorzitter W. baron Schimmelpenninck van der Oije zoveel mogelijk de oude vertrouwde gang van zaken voort. Zij gaf weinig blijk van initiatieven. Het ledenaantal liep door natuurlijk verloop en geringe toetreding gestaag terug. Rond 1880 verkeerde de Ridderschap met hooguit 55 leden dan ook op een historisch dieptepunt. Geluiden van dien aard verneemt men overigens niet. GeÔnstitutionaliseerde liefdadigheid en verenigingsverband waren weinig geprofileerd. Men nam ook genoegen met een ruimte van samenkomst buiten de traditionele Arnhemse overheidsgebouwen. Terwijl de aan zichzelf overgelaten Ridderschap in 1879 nog had geweigerd een gelukwens te versturen naar de koning ter gelegenheid van zijn huwelijk, sloeg weldra de houding ten aanzien van het koningshuis in Gelderland om.

 

*       1880-1915

Rond 1915, toen het voltallig bestuur onder leiding van baron Schimmelpenninck van der Oye van de Poll en Nijenbeek terugtrad, stierf de generatie uit die nog de oude politieke Ridderschap had meegemaakt. Gedurende de voorafgaande vier decennia had zij zich bijna ongemerkt hersteld en duidelijk aan vitaliteit gewonnen. Steeds meer leden traden toe, ook zogenaamde buitenstaanders, d.w.z. edelen die niet konden terugvallen op Gelderse ‘stamgenoten’ en een entreegeld van fl. 1000 moesten betalen (1889). Sinds 1891 versterkte een onder-voorzitter het bestuur. De vergaderfrequentie was inmiddels verhoogd tot tweemaal per jaar. Voorstellen in die richting dateerden reeds van 1886 en 1889. Vergaderingen vonden sinds 1889 plaats op een donderdag in plaats van een vaste datum maar wisselvallige dag in de week. De edelen hadden weinig behoefte zich met distinctieven te onderscheiden.

Naar aanleiding van het overlijden van koning Willem III in 1891 stuurden de vergaderde ‘ridders’ hun eerste ‘telegram van hulde’ aan de regentes en de jonge koningin. De tot op de dag van vandaag bestaande gewoonte om tijdens de vergadering een telegram naar het Koninklijk Huis te sturen gaat feitelijk terug tot op 1903. Hoewel er een vergadertaboe rustte op zondag, kreeg de toen om zich heen grijpende verzuiling geen vat op de overwegend liberale en religieus neutrale Ridderschap.

 

*    1915-1931

Zo’n vijftien jaar achtereen droegen voorzitter baron Van Nagell en baron Van Voorst tot Voorst gezamenlijk de Ridderschap. Wanneer nieuwe leden toetraden, gaf de voorzitter uiting aan het doel van de vereniging. In 1901 vatten de woorden liefdadigheid en vriendschapsband kernachtig het doel voor bet begin van de twintigste eeuw samen: (...)de Ridderschap van Gelderland bejjvert zich haar doel te bereiken door liefdadigheid te bewijzen en den vriendschapsband te versterken van de Edellieden onderling (...). In 1911 viel het woord ‘broederschap’: de Ridderschap (...) door hen die daartoe behoorden is voortgezet als het ware als eene broederschap, met elkaar omgang te hebben en vriendschappelijk bijeen te komen en voorts de geldelijke belangen van verarmde stamgenooten te behartigen. Sociale contacten kwamen voorop te staan. Meer aandacht voor privť-leven spreekt ook uit het toesturen van geboorte- en huwelijkskaarten. Leden werden met bloemen gefÍteerd als een ridderlijk echtpaar een bijzonder huwelijksfeest mocht beleven.

Met vrijwillige bijdragen door de leden sedert 1920 jaarlijks bijeengebracht kon de liefdadigheid meer gestalte krijgen. Een gestage instroom van nieuwe leden uit heel het land bracht de Ridderschap een ongekende omvang. Overigens blijft veel uit deze periode in het duister. Waarom vond in 1923 een naamswijziging in ‘Ridderschap van Gelderland’ plaats? Wilde de Ridderschap door het woord provincie te laten vallen tot uitdrukking brengen dat ook niet-Gelderlanders welkom waren?

In 1931 zien we weer het voltallige bestuur wisselen: baron Van Nagell van de Schaffelaar gaf na vijftien jaar voorzitterschap de hamer over aan baron Van Lynden. In de vooroorlogse jaren bespeurt men bij de nieuwe generatie ridders een hang naar herstel van tradities. De jongeren wensten een insigne, zoals de Ridderschap in Utrecht, om in het openbaar herkenbaar te zijn (1933). Een paar lieten het traditionele Gelderse adelscostuum vervaardigen. De ‘adelskwestie’ werd aan de orde gesteld. De ‘jeugd’ lijkt een meer conservatieve geesteshouding uit te dragen. Terwijl enkelen gedurende de oorlogsjaren in verkeerd vaarwater raakten, vielen anderen in de strijd voor het vaderland. In 1946 kon de Ridderschap weer in alle vrijheid bijeenkomen, maar moest eerst het pijnlijke vergaderpunt aansnijden dat sommige leden zich niet conform een edelman waardig hadden gedragen. Er werd tot royering besloten, althans zij bedankten zelf. Die jaren kenmerkten zich door een groot gevoel voor saamhorigheid, zoals de voorzitter ook tot uitdrukking bracht.

Vanaf 1934 bevorderde daadwerkelijk het feit dat er jaarlijks op een zaterdag ofwel de dag tegen het weekeinde werd vergaderd, de persoonlijke contacten. De ledenaanwas zette zich voort en een hoogtepunt werd bereikt in 1939. Na de oorlog heerste er meer een sfeer van eenheid en gelijkheid waardoor edelen minder behoefte voelden zich te onderscheiden. In reactie op de naoorlogse terugloop van het ledenaantal tot rond 125 deed omstreeks 1958/59 het bestuur aan actieve ledenwerving onder die families die vůůr 1850 al lid waren geweest. De trend kon niet echt worden gekeerd, maar een zekere stabilisering werd wel bereikt.

 

*       1965-heden

De maatschappelijke veranderingen tijdens de jaren-1960 gingen ook aan de Ridderschap niet voorbij. Het aantreden van een nieuw bestuur onder voorzitterschap van C. J. baron Schimmelpenninck van der Oije in 1966 mag als keerpunt wordt beschouwd. De financiŽle administratie werd reeds in 1965 op nieuwe leest geschoeid. Vanaf 1967 vinden de jaarvergaderingen plaats op wisselende locaties, bij voorkeur in landelijke omgeving rond Arnhem. De Gelderse ridders vergaderden vaak op de Veluwe en in de Graafschap, minder in het Kwartier van Nijmegen. Een doelbewust systeem in de keuze van vergaderplaats is niet te ontdekken. Sedert 1973 komt men in de regel op de derde zaterdag van september bijeen. De statutenwijziging van 1971 boog de doelstelling naast de charitatieve taak definitief om in cultuurhistorische richting. Een eigen bibliotheek en een collectie antiek werd opgebouwd. In de loop van de jaren tachtig profileerde zich de Ridderschap van Gelderland steeds meer als subsidiŽnt voor monumentenzorg, natuurbeheer, onderzoek en publicaties evenals voor restauratie en aankoop van antiek; dit alles in het bijzonder met betrekking tot de Gelderse geschiedenis. In deze nieuw ingeslagen richting kunnen zich gezien de jongste groei van de Ridderschap, die zich sedert omstreeks 1970 aftekent, klaarblijkelijk vele edelen vinden.


Klik hier voor volledige tekst "Het archief van de Ridderschap van Gelderland (Inventaris)" samengesteld door drs. V. Paquay in 1996.